Wat betekent mentaal welzijn wanneer je verder kijkt dan het individu?

Vanuit zijn ervaringen als klinisch psycholoog binnen vzw JONG en met samenwerking met OverKop Gent, reflecteert Maarten op wat jongeren met een migratieachtergrond hem leerden over psychisch welzijn, hulpverlening en vertrouwen. Een persoonlijk en kritisch pleidooi om mentale gezondheid niet los te zien van iemands leefwereld, maatschappelijke context en vooral: de verbinding met anderen.

Het project Glow-up Hubp werd mede gerealiseerd met de steun van het Sociaal Innovatiefonds van de Stad Gent. Met deze middelen kon Maarten aan de slag als eerstelijnspsycholoog bij vzw JONG.

“Psychologen zijn de imams van de atheïsten”

VZW Jong - Sfeerbeeld illustratie 02

Wat jongeren met een migratieachtergrond ons leren over mentaal welzijn

Een kleine twee jaar geleden stapte ik als klinisch psycholoog in een project van vzw JONG in samenwerking met OverKop Gent, met steun van stad Gent en het Sociaal Innovatiefonds. In een OverKop-huis kunnen jongeren tot 25 jaar vrij binnenwandelen, chillen en rondhangen. Ze vinden er ook een luisterend oor voor om het even welke vraag of probleem. De vestigingen van vzw JONG in Gent hebben een gelijkaardige werking, met dit verschil dat het publiek bijna uitsluitend uit jongeren met een migratieachtergrond bestaat. Een van de doelstellingen van het project was om het thema van mentaal welzijn meer bespreekbaar te maken, en ervoor te zorgen dat deze doelgroep gemakkelijker de stap kan zetten naar de geestelijke gezondheidszorg. Zo stond ik bijvoorbeeld iedere vrijdag als psycholoog tussen de jongeren in Jamklub, een jeugdhuis van vzw JONG in de Muide, en waren ze daarnaast in de mogelijkheid gratis op consultatie komen wanneer ze daar nood aan hadden. Dit laatste was niet meteen een ‘succes’ te noemen. Van de ongeveer 70 jongeren die frequent in Jamklub te vinden zijn, zijn er 5 die de weg naar mijn praktijk hebben gevonden. Minstens evenveel jongeren vroegen naar een afspraak, maar zijn nooit komen opdagen. Is het probleem van mentaal welzijn bij jongeren met een migratieachtergrond dan toch niet zo groot als gedacht, of zijn er andere factoren die dit kunnen verklaren? In wat volgt tracht ik weer te geven wat ik in dit verband van de jongeren heb geleerd.

The 4400

In The 4400, een Amerikaanse sciencefictionserie uit 2004, verdwijnen in de loop der jaren duizenden mensen, om dan decennia later allemaal samen terug op aarde te worden gedropt, waarbij geen van hen ook maar één dag ouder is geworden. Precies omwille van het raadselachtige van dit gebeuren, reageert de gemeenschap eerder terughoudend op hun terugkeer. Ze worden dan ook ondervraagd en geëvalueerd door de overheid en psychologen om te begrijpen wat er precies met hen is gebeurd. Het interview met Carl, een van de teruggekeerden, verloopt daarbij als volgt:

  • Psycholoog: “Hoe gaat het met u sinds uw terugkeer?”
  • Carl (kortaf): “Hoe denk je dat het gaat?”
  • Psycholoog (neutraal): “Vertel het mij.”
  • Carl (zucht, zichtbaar gefrustreerd): “Ik ben alles kwijt. Serieus… alles. Mijn huis is weg. Mijn job bestaat niet meer. Mijn leven is gewoon verdwenen.”

De psycholoog knikt licht en schrijft ondertussen iets neer.

  • Psycholoog: “En hoe voelt dat voor u?”
  • Carl: “Hoe het voelt? Het voelt alsof ik nergens meer thuishoor. Alsof ik gewoon… teruggezet ben en iedereen verwacht dat ik gewoon verderga alsof er niets gebeurd is.”

Hij leunt naar voren, duidelijk geagiteerd.

  • Carl: “Jullie stellen vragen, maar niemand helpt. Niemand geeft me iets terug van wat ik kwijt ben.”

De psycholoog kijkt op van zijn notities.

  • Psycholoog (kalm, analyserend): “Ik merk dat u boos wordt. Er is sprake van duidelijke frustratie, mogelijks zelfs agressie.”

Carl verstijft even, en reageert dan feller.

  • Carl: “Agressie? Serieus? Ik zeg gewoon wat er met mij gebeurd is!”
  • Psycholoog: “Uw reactie is vrij intens.”
  • Carl (verhoogt stem): “Natuurlijk is die intens! Ik heb niks meer! Geen huis, geen werk, geen toekomst! En jij zit hier te schrijven alsof ik het probleem ben?”

Er valt een korte stilte. De spanning in de kamer is duidelijk voelbaar.

  • Psycholoog (koel): “We proberen uw toestand te begrijpen.”
  • Carl (bitter): “Begin dan met te begrijpen dat dit geen ‘toestand’ is. Dit is mijn leven dat kapot is gemaakt.”

De vergelijking met de precaire situatie van veel vluchtelingen, migranten en mensen met een illegale status ligt voor de hand. Je kan er met hen over spreken, en het kan zeker deugd doen om erkenning te krijgen voor de moeilijke levensomstandigheden waarin ze verkeren, maar de beste hulp bestaat er uiteraard in om daadwerkelijk verbetering te brengen in hun leefsituatie. “Praatjes vullen geen gaatjes”, zoals een patiënt me ooit wist te vertellen. De scène kwam terug bij me op toen ik aan het grasduinen was in de database van vzw JONG, waar de jeugdwelzijnswerkers de signalen rond welzijn registreren die ze opvangen bij de jongeren. Tegen mijn verwachting in bleek het signaal dat daarbij het meest frequent aanwezig was ‘honger’. Daarnaast vertellen heel wat jongeren mij over de voortdurende chaos en drukte die ze thuis ervaren. Vaak leven ze met een groot gezin op een beperkte woonoppervlakte, waarbij het zo goed als onmogelijk is om enige rust of privacy te vinden. Deze jongeren benoemen Jamklub dan ook als hun tweede thuis. Het is een open ruimte waar ze altijd welkom zijn, waar ze hun vrienden ontmoeten, spelletjes spelen en plezier maken, maar zich ook even kunnen terugtrekken wanneer ze daar nood aan hebben. Bovendien is er een muziekstudio, een gymzaal, en een keuken waar regelmatig wordt gekookt. De ruimte van Jamklub op zich biedt met andere woorden reeds een antwoord op deze noden.

Een tweede herkenbare mismatch uit de scène van The 4400 betreft het wederzijds wantrouwen tussen de psycholoog/overheid en Carl. Het feit dat de psycholoog in dit geval psychologiseert, en de frustratie van Carl duidt als een teken van agressie en instabiliteit, terwijl het eenvoudigweg een normale reactie is op de situatie waarin de man verkeert, is daar duidelijk verantwoordelijk voor. Voor een aantal jongeren is deze mismatch heel herkenbaar. Ze botsen op een onpersoonlijk, voorwaardelijk systeem waarbij ze zich niet alleen niet erkend of gehoord voelen, maar er ook een fundamenteel wantrouwen op nahouden ten aanzien van overheidsinstanties. Sommigen hebben een strafblad en/of schulden als gevolg van eerdere feiten, waardoor het ook moeilijk wordt om een reguliere job te vinden om hun schuld te kunnen afbetalen. Jeugdwelzijnswerkers van vzw JONG treden dan ook vaak op als brugfiguren of bemiddelaars tussen de jongeren en overheidsinstanties. Als psycholoog werd ik daarentegen reeds bij aanvang beschouwd als een vertegenwoordiger van de overheid. Het heeft serieus wat voeten in de aarde gehad om deze opvatting te counteren. Wanneer de jongeren me vandaag als ‘Bob’ aanspreken (niet verwijzend naar de BOB-campagne tegen alcohol achter het stuur, maar naar de Bewakings- en opsporingsbrigade als onderdeel van de vroegere Belgische Rijkswacht) dan is dit voornamelijk grappend en plagerig bedoeld, maar de onderliggende twijfel is nog steeds voelbaar.

Er is een verklaring voor deze hardnekkige overtuiging.

De voorzitter van boksclub Kampioen UFG, afkomstig uit Tsjetsjenië, is een rolmodel voor veel jongeren in de Muide en houdt er een strenge, eervolle moraal op na. Vechten doe je in de ring, niet op straat. Het stellen van wangedrag is niet alleen schadelijk voor jezelf, maar ook en vooral een blamage voor het volk waar je toe behoort. Een waardig man gebruikt zijn stem om zijn mening te verkondigen, niet zijn vuisten, enzovoort. Met ruim 300 leden zorgt de club voor sociale cohesie en rust in de buurt. De oprichter van de club weet me te vertellen dat psychotherapie in staten die vroeger behoorden tot de Sovjet-Unie, voor zover die al zou bestaan, sterk wordt aangestuurd door de overheid en gericht is op gedragsverandering en disciplinering. Welzijn en persoonlijke groei zijn daarbij geen doel. Met andere woorden, psychotherapie doet daar vooral dienst als machtsinstrument in dienst van het regime. Het is dan ook niet verwonderlijk dat veel mensen met een migratieachtergrond er een dergelijke opvatting op nahouden. Een Slowaaks meisje van vijftien met klachten van automutilatie, dissociaties en suïcidale gedachten maakte tot drie keer toe een afspraak in mijn praktijk, maar kwam nooit opdagen. Aangezien ze minderjarig is, bracht een jeugdwelzijnswerker een bezoek aan haar ouders om meer tekst en uitleg te geven bij de vraag van hun dochter om naar de psycholoog te gaan. De moeder bleek enorm angstig om opgevolgd en gecorrigeerd te worden in de opvoeding van haar kinderen, en ze had schrik dat het recht op kinderbijslag haar zou worden ontzegd. Toen ik het meisje persoonlijk vroeg waarom ze niet op de afspraak was, luidde het antwoord: “Ik ben Slowaakse, ik moet het alleen kunnen!”.

Trauma

Je zou kunnen zeggen dat de confrontatie tussen mensen van verschillende culturen iets traumatisch heeft. Wat je tot dan toe beleefde als gewoon of vanzelfsprekend, blijkt dat plots niet meer te zijn. Denk aan normen en waarden, dagdagelijkse gewoonten, impliciete en expliciete opvattingen over mens en wereld,… Eigenlijk zowat alles waar je persoonlijke identiteit aan vasthangt. Het is precies omdat de confrontatie aan je persoonlijke fundamenten raakt, dat het niet altijd eenvoudig is om ervoor open te staan.

De vraag dat mensen met een migratieachtergrond zich aanpassen en complexloos onze normen en waarden overnemen is dan ook niet zo eenvoudig. Maar ook voor ons ‘westerlingen’ blijft het een uitdaging om open te staan voor het andere, dat wat ons niet vertrouwd is, en telkens weer tegen onze persoonlijke zekerheden en overtuigingen dreigt te schoppen.

Mijn ervaring met het beeld dat de jongeren in Jamklub van een psycholoog hebben, is daar een illustratie van. In de voorbije twintig jaar werkte ik als tweedelijns psycholoog in de psychiatrie en in een privépraktijk. Doorgaans is er binnen deze settings sprake van een positieve overdracht bij mijn cliënteel. Dit wil zeggen: enkel het feit dat ik de titel van psycholoog draag, zorgt er reeds voor dat mensen mij met positieve verwachtingen consulteren. Er is de veronderstelling dat ik een degelijke opleiding heb genoten, dat ik alles afweet van diagnostiek en mentaal welzijn, dat ik vertrouwelijk te werk ga, dat ik hen zal kunnen helpen, enzovoort. Het is trouwens deze positieve overdracht die de continuïteit van het therapeutisch proces draagt, en er deels voor zorgt dat therapie wérkt.

Niets van dit alles in Jamklub! Toen ik me daar voorstelde als psycholoog, gaf dit hoofdzakelijk aanleiding tot argwaan. Negatieve overdracht dus.

Voor ik het goed en wel besefte stond ik buiten op het voetpad, oog in oog met een jongere, omringd door een tiental van zijn vrienden. Het betoog van de jongeman was niet minder intimiderend. Dat ik een watje ben. Een watje dat betaald wordt door andere weerloze watjes uit de rijke middenklasse, die niets beter te doen hebben dan zich aan te stellen. “Al dat gezever is voor niets nodig, doe normaal. What doesn’t kill you, makes you stronger!”

De intimiderende monoloog kantelde naar een dialoog toen hij de uitspraak “Psychologen zijn de imams van de atheïsten” liet vallen en me even ruimte liet om te reageren. Ik feliciteerde hem met zijn spitsvondige uitspraak en kon hem overtuigen dat ik zijn ideeën best wel interessant vond. De sfeer werd gemoedelijker en er volgde een boeiend gesprek over de houding van het westen ten aanzien van zijn geloof, een houding die voor hém vaak intimiderend bleek.

Graag had ik deze gesprekken met hem verdergezet, maar helaas belandde hij een paar weken na onze ontmoeting voor lange tijd in de gevangenis. Het heeft echter niet verhinderd dat zijn woorden bleven nazinderen en me verder hebben doen nadenken over hoe wij met mentaal welzijn omgaan.

Ethiek en zingeving

“Psychologen zijn de imams van de atheïsten” suggereert dat in het seculiere westen de psychologen de functie van de geestelijke leiders hebben overgenomen. De christelijke levensbeschouwing is niet langer het dominante discours om mens en wereld te begrijpen, maar werd vervangen door de wetenschap. Deze omwenteling heeft een enorme vooruitgang teweeggebracht op het vlak van welvaart en technische innovatie. Ook in de somatische geneeskunde blijkt de waarde van de wetenschappelijke benadering onmiskenbaar.

Toch durf ik me de vraag stellen of wetenschap wel de meest geschikte discipline is wanneer het over psychisch lijden gaat. De mens is een betekeniswezen. Mentaal welzijn is onlosmakelijk verbonden met de mate waarin men in staat is zin en betekenis te verlenen aan ervaringen en dagelijks handelen. Religie leent zich daar uitstekend toe. De collectief gedeelde verhalen bieden een antwoord op hoe je een deugdzaam leven moet leiden, hoe je omgaat met seksualiteit, wat er ons na de dood te wachten staat, enzovoort.

Wetenschap daarentegen tracht zich precies te distantiëren van morele standpunten. Het is een methodiek die erop gericht is om feiten en objectieve waarheden aan het licht te brengen, maar zegt niets over hoe we met die feiten moeten omgaan. En laat het nu net dàt zijn waar het bij mentaal welzijn over gaat: hoe we met de feiten omgaan.

Feiten vragen om interpretatie, en een interpretatie kan nooit neutraal zijn. Wetenschappelijk onderzoek ontstaat dan ook niet binnen een vacuüm. Wat als een psychisch probleem wordt beschouwd, welke groepen worden onderzocht, en hoe de resultaten worden geïnterpreteerd, hangt altijd af van de historische en maatschappelijke context.

Homoseksualiteit was bijvoorbeeld tot 1973 opgenomen in de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders als een psychische aandoening. De classificatie van homoseksualiteit als stoornis was symptomatisch voor de toenmalige maatschappelijke normen over seksualiteit en het gezin. Vandaag liggen die normen anders, en krijgen we dus ook te maken met andere afwijkingen van die normen.

Onze huidige maatschappij kent bijvoorbeeld een hoge prevalentie van burn-out. Men kan zich hierbij de vraag stellen of de manier waarop wij burn-out definiëren een universeel psychologisch verschijnsel betreft, of eerder ene gevolg is van westerse ideeën over werk, individuele prestaties, productiviteit en de verhouding tussen werk en privé.

Een benadering van psychisch lijden die waardenvrij is en zich louter beroept op wetenschappelijke evidentie is eenvoudigweg onmogelijk.

Toch lijkt het er vaak op dat deze illusie nog steeds wordt gekoesterd. Ik denk in de eerste plaats aan de gespecialiseerde tweedelijnszorg, die het wetenschappelijk discours van de somatische geneeskunde heeft overgenomen en daarbij blind lijkt voor de ethische consequenties. Ik verwijs naar het fragment uit The 4400, dat duidelijk illustreert hoe de ‘objectieve’ of ‘neutrale’ houding van de psycholoog de cliënt tot absolute wanhoop en frustratie drijft, frustratie die dan wordt geregistreerd als een objectieve observatie.

De gespecialiseerde, residentiële behandeling van psychisch lijden gebeurt doorgaans in twee fasen: een observatiefase, waarbij een diagnose wordt gesteld, en waarna men voor de behandelfase netjes volgens leeftijd en stoornis in verschillende behandelgroepen wordt opgedeeld. De wetenschappelijke methodiek is herkenbaar en gericht op categoriseren, opdelen, en objectiveren. Deze objectiverende aanpak heeft uiteraard zijn effecten. Ik herinner me het lijden van een jongere toen hij de maximumleeftijd van 25 voorbij was en niet meer welkom was op de jongerenafdeling. Bij een andere jongere bleek pas na enkele maanden dat er sprake was van psychose. Hij werd doorverwezen naar de psychoseafdeling, waarbij de banden die hij tot dan toe had opgebouwd met zijn leeftijdsgenoten en de therapeuten noodgedwongen werden verbroken. Niet zo lang geleden vertelde een man die ambulant in behandeling was in een psychiatrische instelling mij hoe het aan iedereen van zijn behandelgroep werd verboden om contact te hebben met elkaar buiten de therapeutische sessies. Een laatste voorbeeld: in een psychiatrische instelling knipt een jongere het haar van een andere jongere tijdens de middagpauze. Hij is er duidelijk goed in en steeds meer jongeren vragen van hem een nieuwe haarsnit. Het afdelingshoofd grijpt echter onmiddellijk in en verbiedt het hele gebeuren. “Jullie hebben je geëngageerd voor een behandeling in een ziekenhuis, niet voor een scoutsbeweging”, klinkt het. Merk op hoe het medisch-wetenschappelijk discours als argument gebruikt wordt. Het evidencebased behandelprogramma dient nauwgezet opgevolgd te worden. Alles wat niet binnen dit kader past lijkt beschouwd te worden als een storende variabele.

In de eerstelijnszorg is de rigoureuze toepassing van het wetenschappelijk discours niet in die mate doorgedrongen. Ze lijkt dan ook het kleine broertje van de tweedelijnszorg, hoofdzakelijk gericht op laagdrempelige zorg en preventie, terwijl de ‘echte’ behandeling dan gebeurt binnen de gespecialiseerde tweedelijnszorg. Ik deel deze redenering niet en haal daarbij graag twee situaties aan die me zijn bijgebleven tijdens mijn opdracht bij vzw JONG.

In Jamklub kregen we een tijd terug te maken met een jongetje van vijf en zijn zusje van acht die steevast aanwezig waren in de jongerenwerking. Ze bleven ook meestal als laatste, tot 22 uur. Het meisje droeg de verantwoordelijkheid voor de zorg van haar broertje. De moeder van de kinderen bleek  chronisch depressief, niet in staat om voor de kinderen te zorgen, en de vader was reeds geruime tijd uit beeld verdwenen. Hun aanwezigheid in Jamklub zorgde vaak voor hartverwarmende momenten, waarbij de jongeren niet alleen stoeiden met het kind, maar ook oprecht begaan waren met hem. Het deed het jongetje en zijn zusje duidelijk deugd. “Als we thuis zijn speelt hij alleen maar Playstation”, liet het zusje weten. De focus van het team lag in deze situatie niet op het respecteren van de leeftijdsgrens, maar op de vraag hoe de moeder eventueel ondersteund kan worden in de opvoeding van haar kinderen, over de mogelijkheid om bredere opvang te voorzien naast de jongerenwerking, enzovoort.

De tweede situatie is analoog aan de scène in de psychiatrie waar een jongen zich als kapper profileerde. De reactie van de teamcoach van vzw JONG was echter radicaal anders dan die van het afdelingshoofd in de psychiatrie: hij begon onmiddellijk op zijn smartphone te scrollen om na te gaan of er misschien een betaalbare professionele kappersstoel voorhanden was.

In het eerste geval gaat het over evidence based practice: men beroept zich in de interacties met de patiënt op een voorafbepaald, wetenschappelijk gefundeerd kader, dat zich niet zelden vertaalt in een waslijst van voorwaarden, regels en afspraken. In het tweede geval gaat het over practice based evidence: er wordt een open kader gehanteerd dat ruimte biedt voor diverse en ongedwongen ontmoetingen. Elk spontaan engagement wordt daarbij aangemoedigd en ondersteund.

Wees jezelf!

VZW Jong - Sfeerbeeld illustratie 01

Mede door de opkomst van farmaceutische bedrijven en psychofarmaca wordt binnen de psychologie steeds meer onderzoek gedaan naar medicamenteuze behandelingen en biologische mechanismen achter psychische aandoeningen. De oorzaak van psychisch lijden wordt gesitueerd bij het individu.

Het uitgangspunt dat de mens als een autonoom individu functioneert, is echter moeilijk houdbaar. Onze identiteit is een amalgaam van talloze identificaties met anderen binnen een heersend maatschappelijk en historisch bepaald discours. Waar de identiteit van de vorige generatie vooral werd bepaald door het overheersend narratief van de katholieke kerk en men zich diende te onderwerpen aan een hogere macht, wordt onze identiteit vandaag eerder beïnvloed door het wetenschappelijk geïnspireerd beeld van het autonome zelf.

Gezien de wetenschap pretendeert zich enkel met de feiten bezig te houden en zich distantieert van morele uitspraken, dreigt dit autonome zelf echter een lege doos te worden. Bij de confrontatie met de existentieel ontredderde mens geraakt de wetenschappelijk geschoolde therapeut dan ook niet verder dan de boodschap “Wees gewoon jezelf”.

Deze boodschap is niets anders dan een herformulering van het probleem. Het is eenvoudigweg onmogelijk om als autonoom individu ‘jezelf’ te zijn, los van anderen en los van eender welk gedeeld narratief dat onze identiteit vormgeeft en ons leven van een bepaalde zin en richting voorziet.

De morele ruimte die de wetenschap openlaat, wordt in onze maatschappij gevuld door het discours van het kapitalisme.

We leven in een tijd en op een plaats waar we niet meer onderworpen zijn aan de wil van God of Allah, maar aan de algoritmes van de financiële markt.

Zowel ons dagdagelijks handelen als belangrijke gebeurtenissen in de wereld worden voortdurend geframed en beoordeeld in termen van economische waarde, winst of verlies. “De klimaatopwarming moet dringend aangepakt worden, want als we nu niets doen zijn de kosten later niet meer te overzien”. Of “Het is belangrijk om te investeren in therapie, mensen kunnen sneller terug aan het werk, wat minder kosten met zich meebrengt voor de maatschappij”: (mentaal) welzijn is ondergeschikt aan de wetten van de financiële markt.

Het discours dringt zich steeds nadrukkelijker op. Steeds meer mensen zijn (het) moe om zich onaflatend te moeten verhouden ten aanzien van een anonieme machine die opereert volgens de economische logica van de financiële markt, of voelen zich een loser omdat ze er niet in slagen om aan het normatief ideaalbeeld van het kapitalistisch discours te voldoen. Dit ideaalbeeld komt zo ongeveer neer op veel geld verdienen, hard werken, zoveel mogelijk genieten en consumeren. Een moraal in dienst van de economische groei. “Work hard, play hard”. Liefst nog harder dan de anderen. De symptomen van een dergelijk discours zijn bekend: gevoelens van eenzaamheid, existentiële leegte, angst, overprikkeling en burn-out.

Het is opmerkelijk hoe de dominante narratieven van het kapitalisme en de wetenschap met elkaar zijn verweven. Beide zijn gebaseerd op methodieken die werken met cijfers als gegevens. Methodieken die zich niet lenen tot het creëren van verbinding, maar gericht zijn op het bekomen van objectieve informatie in het geval van de wetenschap, en in het verlengde daarvan het bekomen van beheersbaarheid, controle, efficiëntie en winstmaximalisatie bij het kapitalisme.

Een beleid dat zich louter baseert op wetenschappelijk gefundeerde cijfers en statistieken, en daarmee zijn doelstellingen zo economisch efficiënt mogelijk wil behalen, brengt onvermijdelijk dehumaniserende effecten met zich mee. In een psychiatrische instelling werd op een gegeven moment het beleid voor het poetspersoneel omgegooid. Voortaan zou het voltallig personeel volgens een rotatiesysteem op alle afdelingen worden tewerkgesteld, en niet meer vast verbonden worden aan een afdeling zoals voorheen. Deze beslissing werd gemotiveerd door de vaststelling dat het poetspersoneel te dicht stond bij de patiënten, dat er te veel praatjes gemaakt werden, en het werk dus veel efficiënter kon gedaan worden zonder die praatjes.

Naast het gebruik van cijfers, gaan beide narratieven uit van het individu.

Binnen de economische logica levert het verlangen om uniek te zijn ongetwijfeld gigantische winsten op. Maar ook binnen de hulpverlening en de geestelijke gezondheidszorg staat de ethiek van het individu centraal. De oorzaak van mentale problemen ligt bij het individu, en het is dan ook je eigen verantwoordelijkheid om ze op te lossen.

Psychotherapie betekent ‘werken aan jezelf’ om te komen tot persoonlijke groei en zelfontwikkeling. Zelfzorg wordt uitdrukkelijk gepromoot, net zoals assertiviteit, grenzen stellen, weerbaarheid tonen, veerkrachtig zijn. Hulpverleners geven vaak het advies “Je moet het voor jezelf doen!”. Het algemeen belang is daarbij ondergeschikt aan het persoonlijk belang. Hierbij stelt zich echter het probleem dat we niets zijn zonder de ander, en het dus behoorlijk lastig kan worden om het hoofd boven water te houden wanneer competitiviteit primeert boven solidariteit.

“Ik verveel me existentieel te pletter”, vertelde een jongere me. Hij is niet alleen. Heel wat jongeren klagen over een vaag gevoel van onbehagen en existentiële leegte, terwijl ze ogenschijnlijk niets tekortkomen en de wereld voor hen open ligt. Ze staan voor een oneindige reeks aan mogelijkheden, maar lijken niet over een stabiel intern kompas te beschikken om keuzes te kunnen maken. Het economisch-wetenschappelijk narratief met een focus op het individu levert blijkbaar het paradoxale effect op dat veel jongeren ‘zichzelf’ kwijt zijn.

Deze existentiële ontreddering wordt andermaal door het kapitalistisch discours gerecupereerd. Er is niet zoiets als een authentiek zelf, maar de belofte dat je daar wel degelijk toe kan komen blijkt een lucratief verdienmodel. Kies zelf de weg naar je ware zelf: life/purpose coaching, retreats, meditatie en mindfulness, ayahuasca, psychotherapie, yoga en breathwork, online influencers, cacao ceremonies, wellness, pelgrimages, natuurbelevingswandelingen, zelfhulpboeken, … you name it! De uitkomst is vrij voorspelbaar: zolang een verbindend, collectief gedeeld narratief ontbreekt, loert het gevoel van zinloosheid en (zelf)vervreemding om de hoek.

Misschien was dit wat de jongeman in Jamklub bedoelde toen hij het had over de rijke middenklasse die niets beter te doen heeft dan zich aan te stellen. Ik ben echter niet geneigd om het aanstellerij te noemen. Het gaat over een gemis aan zingeving, en dat is fundamenteel.

Ik vermoed dat veel jongeren met een migratieachtergrond minder met dergelijke problemen kampen, omdat ze zijn opgegroeid in een cultuur waar het collectieve primeert. Waarschijnlijk is het voor de jongeman in Jamklub moeilijk om dergelijke problemen te begrijpen, gezien het over symptomen gaat van een discours dat niet het zijne is.

Misschien hebben de jongeren in Jamklub wel gelijk wanneer ze de individualistische kijk op mentale problemen maar moeilijk verdragen. Toen mijn opdracht bij vzw JONG op zijn einde liep waren enkelen best wel nieuwsgierig naar hoeveel van hen er de voorbije twee jaar op de individuele sessies beroep hadden gedaan. Ik antwoordde dat het niet meteen een overrompeling was geweest.

“Weet je wat,“ opperde een jongere, “als we jou nu eens allemaal ons rijksregisternummer bezorgen. Jij schrijft ons allemaal in voor tien sessies. Het geld dat je ontvangt gebruiken we om samen een fantastische reis te maken. Ze kunnen jou daarbij niet beschuldigen van fraude, want het gaat niet over persoonlijk winstbejag. Ook de overheid zal daardoor niet in de problemen komen. En geef nu zelf toe, zelf zijn ze helemaal niet vies van een beetje corruptie, toch?”.

Met het nodige cynisme zou je kunnen stellen dat deze jongeren zich wel degelijk optimaal hebben aangepast aan het westers kapitalistisch discours. Maar wat het vooral illustreert, is waar deze jongeren nood aan hebben: de ruimte en de tijd om er met en voor elkaar te zijn, verhalen te delen, zich thuis te voelen.

Conclusie

De dialoog met jongeren met een migratieachtergrond over mentaal welzijn toont ons dat onze kijk op mentaal welzijn niet neutraal is, maar wel degelijk wordt bepaald door het heersend maatschappelijk discours waar we ons in bevinden. Aangezien dit discours heel sterk gericht is op de notie van het autonome individu, dreigt ook de problematiek rond mentaal welzijn gereduceerd te worden tot een individuele kwestie. In het werk met jongeren met een migratieachtergrond blijkt duidelijk dat er niet zoiets is als een onafhankelijk en authentiek zelf, maar dat onze identiteit meerlagig is en bestaat uit identificaties met talloze anderen, binnen de contouren van een bepaald maatschappelijk discours. Op dezelfde manier kan mentaal welzijn niet los gezien worden van de verhouding met anderen en de verhouding tot de bredere maatschappelijke context. 

Als hulpverlener binnen de geestelijke gezondheidszorg is het essentieel om zich te realiseren dat onze maatschappij gedomineerd wordt door een wetenschappelijk-economisch discours, dat een ethiek met zich meebrengt die eerder leidt tot individualisering en vervreemding dan gemeenschapszin. Zorg voor mentaal welzijn betekent dan ook dat we ons handelen baseren op een andere, expliciete en doordachte ethiek. Ik stel voor dat de vermeende wetenschappelijke neutraliteit daarbij vervangen wordt door een open kader, met een minimum aan regels, procedures, methodieken en voorwaarden, om de hulpvragen in al hun diversiteit een antwoord te kunnen bieden.